politiezone dijleland
  wie is wie afwezigheidstoezicht afdelingen onthaal/kantoren  
 

De zone - De politiehervorming

De Politiehervorming

Algemeen


Nooit eerder werd het Belgische politiewezen zo ingrijpend gewijzigd als tijdens de voorbije jaren. Wat volgt is een beknopt overzicht van de geschiedenis van de politiehervorming.

Tot 1 januari 2001 kende België drie reguliere politiekorpsen:

    *     de gemeentepolitie, bevoegd op het grondgebied van de eigen gemeenten en belast met voornamelijk
           de basispolitiezorg;
    *     de rijkswacht, operationeel op het volledige Belgische grondgebied en bevoegd voor de totale waaier
           aan politiezorg, met inbegrip van de basispolitiezorg;
    *     de gerechtelijke politie bij de parketten, die uitsluitend gerechtelijke opdrachten uitvoerde.

Er was onvoldoende samenwerking tussen deze drie korpsen en als er toch al samenwerking was bleek ze geforceerd. Een aantal gebeurtenissen van midden de jaren 80 brachten het gebrek aan samenwerking en coördinatie pijnlijk aan het licht. Denken we maar aan het Heizeldrama, de bloedige overvallen van de bende van Nijvel en de aanslagen van de C.C.C.

De 'Bendecommissie' en het Pinksterplan

Op 30 april 1990 presenteerde een parlementaire onderzoekscommissie een reeks aanbevelingen inzake de reorganisatie van de politie. De commissie legde de vinger op een aantal ernstige tekortkomingen in de politieorganisatie- en werking. In aansluiting hierop stelde de Regering op 5 juni 1990 een programma voor inzake ordehandhaving en veiligheid, het zogenaamde Pinksterplan. De drie bestaande reguliere korpsen werden behouden, zij het met een aantal belangrijke aanpassingen: de demilitarisering van de rijkswacht en de modernisering van de gemeentepolitie. In het midden van de jaren '90 werd geopteerd voor een verbetering van de coördinatie van de samenwerking tussen de politiediensten via de invoering van interpolitiezones (IPZ). De gebeurtenissen rond de 'zaak Dutroux' in augustus 1996 brengen de gestage evolutie van het politielandschap in een stroomversnelling. De Parlementaire onderzoekscommissie Dutroux-Nihoul en Co formuleerde in april 1997 een reeks aanbevelingen in verband met de politiestructuur. Eén van de aanbevelingen was de integratie van de drie politiekorpsen in één politiestructuur. 7 oktober 1997 kwam er op basis van een aantal rapporten het regeringsvoorstel betreffende de reorganisatie van de politiediensten. Het werd een compromis. De reacties op het regeringsvoorstel waren ronduit negatief en men dreigde in een impasse verzeild te raken. De doorbraak kwam er wel nadat Marc Dutroux op 23 april 1998 ontsnapte uit het gerechtsgebouw in Neufchâteau. Zijn vrijheid was van korte duur, maar had wel het effect van een politieke aardverschuiving.

Het octopusakkoord en de wet van 7 december '98


De eerste minister startte begin mei 1998 overleg met alle democratische partijen. De besprekingen leidden op 23 mei 1998 tot het zogenaamde octopusakkoord tussen acht politieke partijen van de meerderheid en de oppositie. Er wordt gekozen voor een geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus . Op lokaal niveau komt er in elke politiezone één lokale politie, belast met het verzekeren van de gehele basispolitiezorg. Op federaal niveau komt er een federale politie, die de gespecialiseerde functies en de steun aan de lokale politie verzekert. De krachtlijnen van het octopusakkoord werden vastgelegd in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (B.S. 8 januari '99). De werkzaamheden aan de hervorming verliepen volgens een strikt tijdsschema. De doelstelling van de regering bestond er immers in om de geïntegreerde politiedienst binnen de door de wet van 7 december 1998 opgelegde termijn operationeel te hebben. Op 1 januari 2001 werd de federale politie operationeel. Op 1 april 2001 trad het gemeenschappelijk statuut voor alle politieambtenaren in voege. En op 1 januari 2002 waren de eerste lokale korpsen van politie operationeel.

Op het lokale niveau bestaan er 196 lokale politiekorpsen, verantwoordelijk voor de uitvoering van alle lokale politietaken. Deze lokale korpsen opereren binnen de zogenaamde politiezones bestaande uit één of meerdere gemeenten.


Op het federale niveau is er een federale politie belast met de gespecialiseerde opdrachten en de steun aan de lokale politie. Beide niveaus zijn autonoom en tussen beiden bestaan louter functionele banden, geen hiërarchische.

De wet van 7 december 1998 voorziet ook in een aantal gemeenschappelijke elementen voor beide politieniveaus:

   1.     Alle politieambtenaren hebben een gemeenschappelijk administratief en geldelijk statuut en een
           gemeenschappelijk tuchtstatuut.
   2.     De geïntegreerde politie heeft een gemeenschappelijke recrutering, selectie en opleiding.
   3.     De informatica- en telecommunicatiemiddelen worden compatibel. Inzake telecommunicatie werd
           geopteerd voor het ASTRID-systeem, dat momenteel volop geïmplementeerd wordt.
   4.     De interne controle op de werking van de politiediensten wordt uitgeoefend door de algemene inspectie
           van de lokale en de federale politie.

De externe controle gebeurt nog steeds door het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, het zgn. Comité P. De geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus doet aan een geïntegreerde politiezorg. Ze moet haar activiteiten inbedden in een globale, geïntegreerde aanpak van de problemen, samen met ander partners in de veiligheidszorg. Niet alleen repressie, maar ook preventie en nazorg vormen de essentiële onderdelen van deze politiezorg.